ADEM
EEN REGISSEUR VERTELT
ADEM

april 2008 | ontmoeting met een filmfreak

Ik was een paar jaar afgestudeerd, had een paar kortfilms gedraaid en een langspeelfilm geschreven die niemand wilde produceren. Gelukkig had ik nog een idee klaarliggen, met een goed begin en een sterk einde. Kortom: een halfbakken scenario met nog veel gaten dat ik “Haaien moeten blijven bewegen” had gedoopt. Ik word geselecteerd voor de ateliers van het VAF. Zo ontmoet ik Jean-Claude Van Rijckeghem op een middag in de Gentse Vooruit. Zijn commentaar is nogal ontnuchterend. Hij houdt wel van het verhaalsconcept maar het scenario is te zwaar, te extreem en structureel nogal rommelig, vooral in de tweede akte. De moed zinkt mij in de schoenen. Dit zou nooit lukken. Tot we over films aan de praat raken. Films die we allebei goed vinden, maar vooral, waarom we ze goed vinden. Ik word er een beetje high van, ik kom maar zelden filmfreaks tegen van zijn kaliber. Een echte verhaalverteller. Ik ga naar huis met een goed gevoel. En dat is door de productie heen een beetje onze dynamiek gebleven.


september 2009 | het casten van de hoofdrollen

Voor de casting werk ik samen met Sara De Vries. Zij suggereert me Stef Aerts die een heel sterke auditie doet voor de hoofdrol van Tom. Hij is nog niet lang afgestudeerd maar al heel professioneel. In die septembermaand doet Stef tests met diverse acteurs voor de rollen van Xavier, Eline en Anneleen. Sara en ik vinden dat Wouter Hendrickx, Marie Vinck en Anemone Valcke het dichtst bij hun personages staan. De rol van Jimmy is een moeilijke en Rik Verheye is een van de kanshebbers: een jong raspaard, hyperactief en onstuimig, en daardoor heel charmant. Hij komt een paar keer langs voor een auditie en krijgt redelijk hard zin in de rol. Acteurs willen zichzelf graag verliezen in een rol, erin opgaan als het ware, en net dat maakt castings zo'n moeilijk karwei. Want als regisseur moet je de film op de eerste plaats zetten en niet te snel een rol toezeggen. Een foute keuze kan een hele film verknoeien. Maar soms weet je het gewoon net zoals de dag waarop ik vraag aan Rik om iets te improviseren. Een scène zonder dialoog, een soort van stille-film-achtige moordscène. Zijn tegenspeler is Stef, die op dat moment even de rol van Xavier voor zijn rekening neemt. Rik wordt stil. Opperste concentratie. Hij probeert zijn zenuwen te beheersen. Kruipt in zijn rol. Sluipt behoedzaam de kamer in. Komt dichter en dichter bij de slapende Xavier. Hij is stil. Zo ongelofelijk stil. Langzaam neemt hij een kussen. Kijkt schichtig rond. En buigt zich over Xavier. Ik roep “stop maar”. Rik kijkt verstoord op. Alle magie is ineens weg. Ik zeg hem dat het oké is. Hij kijkt teleurgesteld op en vraagt of hij het nog eens mag doen. Want hij kan ook iets anders proberen. Dat is niet nodig, zeg ik, voor mij heb je de rol. Rik wordt knalrood en een luide “YES” weerklinkt. Hij valt me in de armen. Op dat ogenblik was de film voor hem misschien even belangrijk als voor mij. En ik besef dat ik de juiste keuze gemaakt heb.


13 januari 2010 | vrieskou

Onze eerste draaidag is er een om te onthouden. Beginnen om zes uur in de ochtend op het strand van Oostende. Temperaturen tot min acht. Een snijdende noordenwind. Sneeuw. Qua filmdoop kan dat tellen. De hele ploeg heeft skipakken, wollen mutsen en thermisch ondergoed aan. Warmtepleisters worden uitgedeeld. De acteurs moeten in kostuum en zijn het lichtst gekleed. Ze hebben fleece dekens om en Marie heeft zelfs een warmwaterkruik gesmokkeld in haar zwangere buik.

Ondanks de Siberische omstandigheden blijven we mooi op schema en loopt er niets mis. Iedereen heeft er zin in. Voor mij is het een chaotische eerste dag. Ik krijg geen zicht over die ploeg van 45 man. Je leert ze immers niet allemaal op één dag kennen. En aangezien iedereen in dikke mutsen en sjaals gestoken zit, heb ik het later op de avond zelfs moeilijk om de mensen uit elkaar te houden.

Op die eerste dag komen ook nog televisieploegen aandraven en reporters die me interviewen over mijn speelfilmdoop. Ze beven en klappertanden, die reporters, want zij hebben geen wollen mutsen en thermisch ondergoed aan. Maar ze vinden het leuk om beelden te schieten van een “filmploeg in strijd met de elementen”. Die avond zien we ons op “De Rode Loper”. Marie en Wouter zijn het geven van interviews al flink gewoon. Stef en ik zoeken nog naar onze woorden. We zien er verkleumd maar opgewonden uit op televisie. Het avontuur is begonnen.


20 januari 2010 | brokkenpiloot

Het is twee uur ’s nachts. We staan op het parkeerterrein van het UZ Leuven. Tom (Stef Aerts) krijgt zijn eerste autorijles van Xavier (Wouter Hendrickx). En niet in een oude Lada maar in een heuse Porsche 911 uit 1974 met 210 paarden. Dixit Dries van de productie: “wees er voorzichtig mee”. De Porsche 911 is niet meteen de makkelijkst controleerbare wagen. Maar er is een bijkomend probleem: Stef heeft geen rijbewijs en kan dan voor geen halve meter rijden. Iedereen houdt zijn hart vast. Het begin van de scène valt mee. Het enige wat Stef moet doen is zijn tekst niet vergeten en gas geven in neutraal. De eerste take is pure cinéma vérité. Stef weet echt niet hoe hij een auto moet starten en Wouter legt hem alles geduldig uit. Zo goed zouden ze het niet kunnen spelen. En het starten lukt hem nog ook! Ik vertel Stef dat hij tijdens de tweede take wat meer op de gaspedaal mag drukken terwijl hij in neutraal staat. Hij knikt. Geen probleem. Hij voelt zich al helemaal thuis in de Porsche. Bij de tweede take laat Stef de Porsche grommen tot voorbij de 7000 toeren en één van de kleppen knalt eruit. De Porsche 911 uit 1974 met 210 paarden gromt niet meer en we zijn gedwongen de afloop van de rijlesscène uit te stellen. Producent Dries kan er niet om lachen.

Een week later draaien we een race met ziekenhuiskarretjes in de catacomben van het Leuvense UZ. Het is de bedoeling dat de karretjes stoppen voor een medicijnkar die hen de pas afsnijdt. Maar na een paar takes knalt Stef in volle vaart tegen de kar aan. Cameraman Ruben Impens roept meteen: “dat was goe!”. Die botsing was het shot waar we op hoopten maar aan de productie niet durfden te vragen. Maar de bumper van de kar is niet meer te lijmen en de kar zelf gaat niet meer vooruit. De reactie van Dries hierop is niet voor publicatie. De factuur van de herstellingen ook niet. We beloven plechtig zoiets niet meer te doen.


13 februari 2010 | vier brandblussers

We staan met zijn allen bij de grote verwarmingsruimte van het Jan Palfijn in Gent. De komende uren wordt er een actiescène ingeblikt en iedereen heeft er zin in. Er hangt een vreemd soort van spanning in de lucht, want niemand weet precies of wat er in het scenario staat ook echt wel gaat werken op beeld. We draaien de aanloop van de scène in de voormiddag. De bende van Jimmy heeft een hoop medicatie gestolen en stopt die rommel in de koffer van hun auto. Dan komt Xavier aanrijden in de Porsche (ja hoor, vers uit de garage) en snijdt hen de pas af. Voor het eerst zijn Ruben en ik het niet eens over hoe we die scène moeten draaien. Hij wil korte, abstracte shots terwijl ik liever alles in een overzichtelijke “plan séquence” wil zien. De scène laat zich moeilijk filmen. Pas wanneer we het laatste deel van de scène aanvatten, valt alles in elkaar. Daarin spuit Xavier een brandblusapparaat leeg op de hele bende. Hilariteit alom! Meteen slaat de sfeer om en keert de rust terug. Drie nozems die uiteengedreven worden door vies, plakkerig wit spul: qua sfeer heeft het iets van een uit de hand gelopen betoging. En het geeft fantastisch op beeld. Na elke opname moeten de acteurs schoongemaakt en de grond geveegd worden, maar daar maalt niemand om. We hebben nog drie brandblusapparaten te gaan en iedereen voelt dat het eigenlijk niet meer mis kan gaan met deze scène.


17 februari 2010 | kamers met uitzicht

Het laatste deel van de film speelt zich volledig af in twee kamers die op elkaar uitkijken. Tom en Xavier liggen naast elkaar in het ziekenhuis maar worden gescheiden door een glazen wand. Ze praten met elkaar via de telefoon en we gebruiken de jaloezieën op het venster die naar omhoog of omlaag gehaald kunnen worden. Het is een decor dat dramatisch goed werkt maar dat ons wel technische kopzorgen geeft. Zo is het niet evident om de telefoons ook effectief te doen werken en, door toedoen van de reflecties in het glas, staat er altijd wel iemand van de ploeg in beeld. Het zijn ook meteen de meest emotioneel geladen scènes, en voor zowel cast als crew zijn het ware uitputtingsslagen. Wat mij het meest bijbleef was de absolute en onvoorwaardelijke concentratie van de ploeg. Want als het juist zit, dan leeft een hele ploeg mee met dergelijke scènes en blijft het ook na een goeie take muisstil. Na een paar dagen in zo'n claustrofobische ruimtes haalt iedereen opgelucht adem als we eindelijk nog eens naar buiten kunnen. De vrieskou nemen we er maar al te graag bij.


april 2010 | muziek van een duizendpoot

Ik ben al jaren fan van de one-man-band Spinvis. Wanneer ik hem voorstel aan de productie, stemmen zij meteen volmondig toe. Wist ik veel dat ik niet met een origineel idee aankwam en dat ze al met hem hadden gewerkt voor hun film MAN ZKT VROUW. We sturen Erik De Jong, de man achter de spinvis, het scenario op en hij ziet het meteen helemaal zitten. We kunnen het goed met elkaar vinden en ik hou van zijn scherp gevoel voor humor. Erik is een beetje een creatieve duizendpoot, en dat voel je. Hij werkt op een heel organische manier met geluiden en sferen. Met zijn muzikaal referentiekader en zijn filmische bagage heeft hij vaak maar een half woord nodig heeft om te begrijpen waar ik naartoe wil. Wanneer ik hem voorstel om met Geike Arnaert te werken, is hij meteen enthousiast. Geike stemt toe en duikt met Erik de studio in. Geike laat zich gewillig begeleiden door de man achter de knoppen, en zingt tot de stukken ervan af vliegen. Op een bepaald moment zit ik met tranen in mijn ogen te luisteren. En dan weet je dat het wel snor zit.

Hans van Nuffel, juni 2010